Ze had de envelop bijna weggegooid.
Tussen reclamefolders en kerstkaarten lag het zware, zwarte papier. Zonder afzender, alleen haar naam in koperdruk: June Delcour. Binnenin: een enkele zin. “Je aanwezigheid wordt verwacht op 24 december, middernacht precies. Geen lingerie onder je mantel. Masker verplicht. Lichte gehoorzaamheid wordt verondersteld.”
Ik dacht eerst dat ze een grap was. Te mooi, te geil. Maar haar pik was echt. Hard. Zwaar. Warm. Ze trok me achterover op bed en neukte me zoals ik nog nooit ben genomen.
Er zat een stoffen masker bij – zwart fluweel, met hoorns van leer. Rendierachtig. Elegant, maar vreemd suggestief. Ze had geen idee wie het gestuurd had, maar iets in haar – iets wat verder ging dan nieuwsgierigheid – zei: ga.
Ze wist niet waarom. Ze wist alleen dat ze gehoorzaamde.
De taxi reed stil door de besneeuwde bergweg. In de verte lichtte een villa op, badend in goud. Geen kerstlampjes – maar warme vlammen achter glas. Het voelde als een andere wereld. Als een scène waar zij nog geen rol in had.
Toen ze uitstapte, voelde ze het al: de lucht was ijl, haar adem onregelmatig. Haar mantel reikte tot aan haar enkels, maar daaronder – niets dan huid. Geen slipje, geen beha, geen plan.
Twee mannen openden de dubbele deuren zonder woorden. Ze droegen zwart. Discreet. Glanzend. Hun blikken gleden over haar masker alsof ze controleerden of het goed zat.
Een hand op haar onderrug duwde haar zacht de villa binnen.
De hal was donker als fluweel. Kaarsen dansten langs de wanden, spiegels vervormden perspectieven. Alles rook naar dennen, oud hout en iets wat ze later zou herkennen als opwinding.
Op de grond lagen tapijten in dieprood. En verderop – in een enorme balzaal – begon de muziek. Klassiek, maar slepend. Cellotonen en fluittonen die niet leken te willen eindigen.
De gasten waren al aanwezig. Zeker dertig mensen, allemaal gemaskerd. Mannen met dierengeweien, vrouwen met pauwenveren, enkelen met witte doeken over hun mond. Iedereen droeg lang, zwaar textiel. Niemand sprak hardop.
In het midden van de ruimte stond een vrouw in zilver. Slank, glanzend, tijdloos. Haar masker had niets dierlijks – alleen geometrie. Driehoeken en lijnen die haar gezicht in stukken braken.
Madame Nocturne.
Ze tilde één vinger op, en de muziek viel stil.
“Welkom bij mijn Winterbal,” sprak ze.
Haar stem was laag, accentloos, helder. June voelde de woorden eerder in haar borst dan in haar oren. Madame Nocturne keek haar recht aan.
“Wie voor het eerst komt, danst alleen. Maar niet om bekeken te worden. Om getest te worden.”
De gasten vormden een cirkel. June stond nu middenin. De vloer voelde warmer dan verwacht. Ze deed een stap naar voren. Iemand achter haar knoopte haar mantel los. Die viel geruisloos naar beneden.
Geen fluistering. Geen lach. Alleen ademhaling.
De muziek begon opnieuw – langzamer nu. En June danste. Eerst aarzelend, dan losser. Haar huid gleed tegen de lucht, haar voeten vonden een ritme. Ze voelde blikken, maar geen oordeel. Alleen aanwezigheid.
Toen ze stilviel, kwamen drie gemaskerde figuren naar voren. Eén met een rendiermasker, net als zij. Eén met een vos. Eén met een ram.
Madame Nocturne vroeg:
“Wie wil je volgen?”
June wees. Niet uit keuze. Uit instinct.
Het rendier.
Ze werd geleid door gangen die smaller werden naarmate ze dieper liepen. De muren werden ruw, de temperatuur daalde. Achter hen sloten deuren zacht als adem.
De rendierfiguur sprak niet. Zijn hand rustte op haar onderrug, laag en zeker. Soms gleed die omhoog langs haar ruggengraat. Geen vraag. Geen toestemming. Alleen richting.
Ze kwamen in een kamer zonder licht. Alleen haar ademhaling klonk luid. De vloer was bekleed met dierenhuid. In de hoek stond een stoel – geen troon, geen strafbank. Iets ertussenin.
Hij wees.
Ze knielde.
Er werd niets gedaan. Alleen stil gezeten. Tien minuten? Een uur? Haar zintuigen namen het over. Elk geluid, elke ademhaling, haar eigen hartslag. Ze verloor tijd.
Toen hij haar hand pakte en haar omhoog trok, voelde het als wedergeboorte.
In de tweede kamer lagen spiegels – vloer, plafond, muren. In het midden een cirkel van bont. Hij liet haar op handen en knieën kruipen, traag, zonder schaamte. Hij liep om haar heen. Ze voelde zijn blik. En zichzelf – vanuit álle hoeken.
Ze keek zichzelf in de ogen. Haar mond half open. Zacht rood op haar wangen. Knieën gespreid. Vingertoppen trillend.
Ze was nog nooit zo mooi geweest.
Hij bukte zich en fluisterde iets in haar oor – woorden die niet voor taal bedoeld waren. Klanken die haar rug lieten gloeien. Ze herhaalde ze fluisterend. Niet begrijpend. Maar voelend.
Toen streelde hij haar enkel. Eén aanraking.
Ze beefde.
Ze werd teruggeleid naar de balzaal, naakt, masker op, voeten licht zwart van het stof. Madame Nocturne stond al op haar te wachten. In haar handen: een kroontje van koper en leer, versierd met kleine bellen.
“Je hebt ontvangen. Gehoord. Gevoeld,” zei ze.
Ze zette de kroon op June’s hoofd. “Je bent geen gast meer. Je bent bezit van het Bal tot het ochtendlicht.”
De kring begon te dansen. Langzaam. Niemand raakte elkaar. Alleen hun schaduwen vermengden zich.
June werd opgenomen. Geen twijfel. Geen angst. Haar lichaam kende het ritme. Ze danste niet meer als mens. Ze bewoog als symbool.
Toen de eerste zonnestraal door de hoge ramen brak, viel de muziek stil. Iedereen stopte gelijktijdig. Alsof ze wisten.
June stond nog steeds in het midden. Kroon scheef, borstkas trillend. Ze had geen idee hoelang ze bewogen had. Alleen dat ze niet gestopt was.
Madame Nocturne stapte naar voren, tilde het masker van haar gezicht.
“Je hebt je lichaam gegeven. Je adem. Je schoonheid. Alles zonder vragen. Je zult herinnerd worden.”
Ze kreeg haar mantel terug. Geen woorden. Alleen een aanraking over haar schouderbladen.
Buiten wachtte de sneeuw opnieuw. Maar nu voelde die niet koud. Alleen reinigend.